Het beeld dat Marc Claes in FLACC voor zijn tentoonstelling bij Annette De Keyser gemaakt heeft, is een imposante, innemende sculptuur geworden die je volle aandacht claimt van zodra je de galerie betreedt. Het neemt je voetstoots voor haar in - of niet. Maar het stààt er: een tot het plafond reikende, houten constructie waar je wel doorheen kunt kijken, maar niet naast. Het betreft hier allerminst een log obstakel dat ruimte en verbeelding blokkeert.

Kwetsbaar en stevig tegelijk, op de tippen van haar acht voeten staand, gaat er van dit open, transparante beeld een waardigheid uit die maakt dat je de neiging hebt om er op de tippen van je schoenen rondom heen te sluipen. Zoveel armen en benen ze heeft, zoveel hoofden.
Haar gespannen stilte tempert de fantasie maar triggert de verbeelding.

Statig als een monument, een muziekinstrument, gebouwd met de bezieldheid en precisie van de ebenist, de bouwer van luiten: dit is een sculptuur boordevol klank: de jazz van Art Pepper & George Cables; Scarlatti of de kristallijnen klanken van het klavecimbel; de droefheid van Mongoolse en Armeense gezangen; het gezoem van een groot insect, het geluid van de golven, de grondtoon ut. AC/DC. Haar stilte... voor de final scream.

De ribben van een scheepsromp, een gotisch stergewelf; een ark; een harp: iets dat in staat is te vervoeren, of in vervoering te brengen.
Alles aan haar suggereert de zee, ook al heeft die hem meermaals willen meesleuren tijdens één van zijn surfiades. Dit is een ode.

Aan die combinatie van vaardigheid, schoonheid, elegantie, acrobatie, lenigheid, behendigheid, durf, sexyness, energie, vrijheid - voordat dit alles een religie werd en erger: sport.
Aan de sensuele wendbaarheid der heupen, aan de dolfijn - and fuck the church.
Aan Bruce Gold en Duke Kahanamoku, Captain Cook en Alec Cooke alias Ace Cool. And fuck sports too.

Getatoeëerde zeespin, klaar om toe te happen; vleesetende plant, klaar om toe te klappen. Geopende schelp van een vreemde vrucht, van een dreigend en duister gewas dat in één nacht vanuit het niets is ontsproten en haar zaadjes heeft gedropt, minuscuul als de bommen uit de buik van een vliegtuig, zoals van ver waargenomen? O, Bud!

Afrikaanse speren, bij elkaar gebracht voor een bijzonder en geheim inwijdingsritueel. Bladeren van de talipotpalm, waarop het eerste schrift, diep in het blad gegrift. Niet enkel de structuur, ook de textuur dient afgelezen.

De maker is een Scribe in dienst van de sculptuur die wil beschreven worden (zoals ze wou gemaakt worden) met de hiëratische tekens en littekens van de subcultuur, met een taal die nog enkel verwijst naar zichzelf, met schetsen vanuit het merg, met sanguines tegen de revoluties van het bloed in.
Met de graffiti van de hartstocht, in haar gekrast gekerfd gebrand gegraveerd - zoals het eerste hart ooit met de eerste hartstocht in de eerste bast. Opdat elke kras, elke inscriptie, elke incisie een nieuw merk-, een nieuw mergteken wordt.
Aldus bedekt hij haar met een bezwerend, afwerend kleed.

2.
Het grote collage-schilderij, dat in een aparte ruimte hangt, is een extensie van de sculptuur.
Opgebouwd uit meerdere, elkaar overlappende lagen maken dat dit amper nog om een tweedimensionaal werk gaat, alsof hij een beeld heeft samengedrukt tot een tableau.

Deze verknipte of versnipperde, opgeplakte en overschilderde, weer bijgetekende beeldfragmenten haken ingenieus in elkaar, tot een patchwork van splinters en scherven.
Vorm en inhoud zijn dermate met elkaar verweven dat men telkens een andere impressie krijgt, als de snel veranderende beelden in een caleidoscoop - waaruit ze soms lijken te zijn ontstaan.
Het effect is dat van een uiterst organisch, barok geheel, een soort van levendige mozaïek waarin telkens weer andere configuraties ontstaan, en het onderscheid tussen abstract en concreet vervaagt of niet langer relevant is.

Figuratieve beelden borrelen op uit een schemerige onderlaag, breken doorheen de abstracte bovenlaag, als fragmenten van halfvergane geschiedenissen, alvorens weer weg te zinken naar de bodem van waaruit ze waren opgestegen, tot er weer een ander fragment opdoemt, even versnipperd en ongenadig scherp als het deemsterende geheugen zelf.
Ook hier weer heeft Claes geput uit een (arche)typisch beeldarsenaal, een beeldtaal die organisch is ontstaan ergens lang geleden op een pennenzak, en die hij tijdens zijn vagantische omzwervingen, zijn trajecten doorheen culturen die al slenterend werden benaderd, is blijven ontwikkelen.

Regenbogen, zonsondergangen, flessen, bliksems, aanstekers, cirkels, distels, helmen, ridders, zwaarden, vuur, starfighters, etc - het zijn zijn ‘huismerken’, zijn boek kaarten, zoals de op speelkaartformaat gemaakte miniaturen van erg banale, bijzondere belevenissen, die hij verknipt en versnipperd in dit bijzonder intrigerende collage-schilderij heeft geïntegreerd. Ook de afgehakte ledematen, doormidden gesneden of onthoofde lichamen behoren tot de Claesiaanse iconografie die je moet (her)kennen om ze enigszins te begrijpen. Ook als die hier optreden samen met sommige attributen van geweld en tortuur, dan nog is hun betekenis niet voor de hand liggend.

Het verlies van iets of iemand, een traject dat is stopgezet, een metamorfose: in feite het centrale thema in dit werk.

Van de Noordkust van Spanje tot de zuidkust van Zuid-Afrika, slalommend langs de grillige contouren van het lot, volgt de pen het parcours, kerft het mes de tekens, en stippelt hij, gedrenkt in avondrood, zijn vluchtwegen uit, oefent hij zijn song- en surflines, en stapelt hij, light traveller, steen op steen op steen.
Aldus ontstaat het rood, dan het zwart, etc.

Het getuigt van lef om uit te pakken met een werk dat zo mooi is, elegant, charmant, en ook nog eens goed gemaakt. De maker ligt er niet wakker van, deze Einzelgänger gaat zijn gang.

Met dit werk, een sleutelwerk, realiseert Marc Claes, eindelijk, zijn eerste solotentoonstelling.
Serener en indrukwekkender kon ze niet zijn.