Dit project bij FLACC begint vanuit een gedachte die al enkele jaren sluimert: Stel dat je, in plaats van voortdurend zelf nieuw werk te maken, verder zou gaan waar een andere kunstenaar gestopt is. Of beter nog, waar hij/zij is moeten stoppen: Het eindpunt van een kunstenaarsoeuvre is immers al te vaak erg willekeurig. De punt achter een oeuvre wordt zelden gezet door bijvoorbeeld met pensioen te gaan, de ontwikkelingen worden meestal stopgezet door dood of ziekte.
Nu is het startpunt van een oeuvre uitvoerig onderzocht (zie Jeugzonde / over Opus 1 en Opus -1 Hedah/LLS 387). Maar het einde, de vraag ‘Maar wat als…..?’ is minder makkelijk te beantwoorden: Waar had een oeuvre ons nog naartoe kunnen leiden? Kan en mag je voortbouwen aan het oeuvre van iemand anders en op welke manieren ga je dat doen?

Mijn vooronderzoek focust op die gevallen in de kunstgeschiedenis waarin kunstenaars en curatoren uit hun rol stappen. Waarin ze zich niet beperken tot het tonen van andermans werk of het werk opnieuw installeren. Maar juist de momenten waarop een kunstenaar zich op het werk van een collega stort. Zoals Richard Basquié zich tussen 1988 en 1991 bezighield met het uitvoeren van Marcel Duchamp's Étant Donnés, om in een ‘Duchampiaanse geestestoestand’ te komen. Beroemd is ook Richard Hamilton, die voor het door hem geïnitieerde overzicht van (alweer) Marcel Duchamp in Londen, ook enkele van diens (verloren) werken reconstrueerde en daarbij lichtjes 'verbeterde'. Het resultaat zijn kunstwerken die vreemdelingen in een oeuvre blijven: Ze zijn niet historisch of puur illustratief, ze geven de kijker vaak wel degelijk een vergelijkbare sensatie als het originele werk. Toch behoren ze duidelijk niet tot het oorspronkelijke oeuvre. Het is in het geval van het voorbeeld dus geen Basquié of Hamilton, maar ook geen echte Duchamp.
Deze tussenvorm is een rode draad doorheen mijn eigen artistieke praktijk. Ik werk meestal in collectieven òf met werk van andere kunstenaars. Het uiteindelijke resultaat is iets waar ik nooit volledig 'eigenaar' van ben. Bij FLACC wil starten vanuit het idee ‘postume samenwerking’: Het samenwerken met een al overleden kunstenaar.

Postume samenwerking met Ine Schröder
Ik doe nu zelf een stap opzij, om deze andere kunstenaar te introduceren: In 2010, tijdens mijn studie in Maastricht, maakte ik in kunstencentrum Hedah voor het eerst kennis met het werk van Ine Schröder. De fragiele sculpturen die ze daar toonden maakten indruk: Haar werken waren knutselig, hadden een bescheiden en poëtisch karakter. De tijdelijkheid van wat ze maakte en met name de radicale keuzes (wat moet weg, wat blijft, blijft er überhaupt iets over?) bewaarde ik in het achterhoofd. Enkele jaren later lijkt haar werkmethode aan relevantie te winnen: Het toont een cyclische, post-materiële manier van denken die tegenwoordig op meer plekken in de maatschappij opduikt, maar waar we nog niet zo goed raad mee weten. Het gaat niet over recyclen, eerder een voortdurend doorontwikkelen van één idee met verschillende middelen, maar ook over het onthechten aan materiële dingen.
Loslaten.
De werken hebben een keukentafel-schoonheid die haaks staat op het professionalisme dat de kunstmarkt overheerst. Ine Schröder toont dat kunst maken niet gaat over productie, maar ook niet alleen om het maken van scherpe keuzes tijdens een zoekproces. Maar vooral gaat haar oeuvre over het radicaal kiezen van een eigen positie in de wereld. Naar mijn mening impliceert kunstenaarschap te vaak een anti-houding: tegen de markt, tegen het museum, tegen de maatschappij, anti-kapitalistisch of anti-kunstwereld. Ine Schröders werk reageert nergens tegen, maar toont ons andere opties van zijn. In een interview in 2014 verwoordde ze het nuchter: “Mijn werk heeft geen 'betekenis', het staat alleen maar in de ruimte. Maar het is geen onzin!”
Echter, op dit moment staat er nog nauwelijks wat van haar in de ruimte. Schröder liet met haar overlijden in 2014 een uitgebreid archief na met 8000 dia's documentatie, dagboeken en schetsen. Maar het daadwerkelijk overgebleven oeuvre is minimaal. De meeste van haar werken haalde ze na een tentoonstelling uit elkaar voor hergebruik. Uit een interview in 2009: “Mijn oeuvre zal ondertussen zo'n vijfduizend werken omvatten. Daarvan zijn er nu nog een paar over. Als het me niet meer boeit, haal ik het uit elkaar en gebruik het materiaal voor wat anders”. De overgebleven werken zijn een aantal van haar ‘modellen', in handen van kunstenaars en vrienden die haar ondersteunden. Er blijkt één enkel groot monumentaal werk in de collectie van het Maastrichtse Bonnefantenmuseum te zijn, een site-specific werk uit 1981. Deze zaalvullende textiel installatie werd gemaakt voor de oude locatie van het museum, die twintig jaar geleden gesloopt is. In het depot ligt een plastic zak met een paar rollen stof, een brief met handgeschreven instructies en een verzameling dia's met 80 verschillende variaties op de oorspronkelijke installatie. 80 manieren waarop hetzelfde werk ook 'gemaakt had kunnen worden'. De brief met instructies en de 80 variaties zie ik als een uitnodiging om opnieuw met haar werk aan de slag te gaan. Ook zie ik haar persoonlijke archief, dat minutieus bijgehouden is, als een handreiking van haar naar de toekomst.

Ine Schröder’s Untitled 1981, in het Bonnefantenmuseum toen gehuisvest in het voormalig winkelcentrum Entre-Deux
Richard Hamiltons reconstructie van Marcel Duchamp’s The Bride Stripped Bare by her Bachelors, Even (The Large Glass)