nl | en steun ons

Bart Lodewijks

Genk drawing (working title)

NEW TEXAS & CHICAGO
Juli 2012


Met de tegenzin van een delinquent die zijn taakstraf ten uitvoer gaat brengen loop ik tegen de Muggenberg op. Ik ben onschuldig, pleit ik voor mezelf. Kan de sociale woningbouw maatschappij het goede en het kwade niet van elkaar onderscheiden? Ik denk aan Willem Sandberg, de vroegere directeur van het Stedelijk museum in Amsterdam. Toen een medewerker een gum aan hem vroeg antwoordde Sandberg kort: "Ik gum nooit". Als Sandberg bedoelt dat je niets mag wegpoetsen omdat alles evenveel waarde heeft, kan het best dat de tekening op de Muggenberg een memorabele tekening wordt, juist omdat hij er straks niet meer is.

Het is nog nooit voorgekomen dat ik verplicht wordt om een tekening te verwijderen. Het reinigingsritueel weigeren zou de woningbouw maatschappij tot razernij brengen. Dan kan ik het wel vergeten om mijn werkzaamheden in de twee wijken voort te zetten, waar vrijwel alle huizen en appartementen van de woningbouw maatschappij zijn. De directrice motiveert haar strengheid met het feit dat de Muggenberg binnen nu en een aantal jaren afgebroken gaat worden. 'Met sanering in het vooruitzicht moet je extra op je hoede zijn voor verloedering,' weet ze. De kunstenaar Robert Rauschenberg kocht ooit een tekening aan van de hand van zijn collega Willem de Kooning. Eenmaal in zijn bezit gumde Rauschenberg de tekening uit. Het gevolg was een schandaal in de kunstwereld over de waarde van het lege vel papier.

Op de plaats delict aangekomen zie ik dat kinderen hun fantasiewereld verder hebben uitgebreid. Verrassend is dat hun tekening bestaat uit stippellijnen, waardoor het gebouw op een prikplaat lijkt. In plaats van hun tekening weg te wassen, zou ik hem ook kunnen bevrijden uit het steen zoals een beeldhouwer zijn werk uit marmer hakt.
Michelangelo kapte het slechte deel uit de berg weg en liet het goede staan. Waarom zouden de appartementen in de toekomst tot puin en gruis verpulverd moeten worden? Wat zou erop tegen zijn om in navolging van de grote meester het goede te laten staan en uit de Muggenberg een beeldengalerij te laten herrijzen? De eerste aanzetten om de op hande zijnde sanering om te buigen naar schoonheid, staan nu nog in krijt uitgetekend op het gebouw.

De bemoeienis van de woningbouw maatschappij hoort nou eenmaal bij de wijk, spreek ik mezelf moed in en veeg het krijt uit met een natte spons. Door de vlekken die ontstaan, lijkt het alsof er een hele grote hond tegen de muur geplast heeft.

*

De voormalige mijnwerker Jacky uit Nieuw Texas zegt dat een toezichthouder van de woningbouwcoöperatie een paar dagen geleden langskwam om de tuin te inspecteren. "Als iedereen zo goed voor zijn tuin zorgt als u dan heb ik niets meer te doen," complimenteert de opzichter Jacky en informeert tussen neus en lippen door wat voor iemand de maker achter de krijttekeningen is. Jacky zegt dat de tekenaar aardig is en verder gewoon zijn ding doet. De controleur laat weten dat ze bij de woningbouw vrezen voor het effect dat het tekenen op kinderen heeft. "De kleine mannen kopen krijt waarin materialen verwerkt zitten die je niet zomaar van een muur kan wissen," zegt de toezichthouder.

'Wist jij dat er verschillende soorten krijt in omloop zijn?' vraag ik verbaasd aan Jacky. 'Ik sta tegenwoordig nergens meer van te kijken,' antwoordt hij. 'Ik ook niet,' zeg ik. 'Ze controleren wel streng bij de woningbouw, niet?' probeer ik. 'Streng doch rechtvaardig. Ze hebben overal hun mannetjes, net zoals de mijnwachters van vroeger.' Is dat dan nodig?' vraag ik. 'Vroeger waren het de mijnwachters die zorgden dat alles ordentelijk verliep. Ze hielden toezicht op het knippen van de hagen en het onderhoud van de tuin.' 'Zit het tuinieren ook in het bloed van de huidige bewoners?' vraag ik. 'Wij zijn een tuinwijk hè,' glimlacht hij gemoedelijk. 'Heeft de woningbouw de rol van de mijnwachters misschien overgenomen?' peins ik hardop. 'Dat zou je zo kunnen zeggen. Ik denk dat iedereen hier nog steeds graag woont, en dat is het voornaamste. Of je nou wel of geen groene vingers hebt. Het zijn ook andere tijden tegenwoordig,' legt hij zich erbij neer.

*

'Wat spijtig,' betrapt een Marokkaanse moeder mij tijdens het wegpoetsen van de tekening op de Muggenberg. 'Deze tekening moet verdwijnen van de woningbouw,' verontschuldig ik me. Ze wijst naar de kleine krabbels op de muur: 'ik weet niet of mijn kinderen dat gedaan hebben.' 'Ze beweren bij de woningbouw dat kinderen in Marokko niet met krijt op straat tekenen, klopt dat?' Ze schudt van nee. 'Kinderen spelen overal met krijt. Ze spelen toch ook overal met een bal? Ze moeten alleen uit de perkskes met bloemen blijven. Het veldje hier verzorgen we zelf. Als het gras te hoog staat bellen we niet naar de technische dienst. Als ze daar aan het voetballen zijn, dan jagen wij hen daarvan af hé.' Haar man nadert en zegt dat Sledderlo volstaat met krijttekeningen van kinderen van iedere slag. 'Uw tekening lijkt op de spijlen van ons balkon. Streepjes, maar dan niet in het gelid. Zolang het krijt is krijgen we geen spijt, als er maar geen tatoos gezet worden,' meent hij.

Een paar dagen later ontvang ik een email van de directrice. Ze schrijft: "Bijgaande foto's zijn genomen op 27 juni 2012. Hierop zijn de krijtlijnen nog duidelijk zichtbaar. Zijn er andere middelen om de krijtlijnen te verwijderen?"

Ik antwoord: "Dit was natuurlijk niet de bedoeling. Ik waste met water het krijt weg en heb niet gewacht totdat de muur droog was. Nat zag het er schoon uit."

Ik durf haar niet meteen te schrijven hoe geweldig het eigenlijk is dat de tekening terug opdoemt. Het toont aan dat krijt naast zijn onschuld ook hardnekkig kan zijn. Het materiaal dat zich zo gemakkelijk aan een windbries overgeeft dringt soms tot diep in het gesteente door. Het getuigt van karakter en van doorzettingsvermogen. In de tekening op de Muggenberg ligt de harde kern van mijn zachte aanpak verscholen.

Ik schrijf haar een tweede mail: "Mijn werkwijze is niet gericht op een vluchtige aanraking of op vergankelijkheid. Al heeft het wel dat voorkomen en speel ik met de betekenis van tijdelijkheid. Door de dichtheid aan tekeningen in een buurt toe te laten nemen, ontvouwt zich een soort nest. De wirwar aan strepen op muren, wit bepoederde distels en heggen, uitgelopen krijtsporen op het wegdek keren eindeloos terug naar dezelfde plekken waardoor mijn werk een zekere blijvendheid krijgt. De ontmoetingen die plaatsvinden tussen bewoners en mij zitten opgeslagen in de krijtlijnen en in de verhalen die mensen aan elkaar overdragen. De tekening op de Muggenberg is een trouwe getuige van zo'n geschiedschrijving. Tijdens het schoonmaken zogen de stenen het water op terwijl de tekening zich tot diep in de poriën terugtrok. Op uw kantoor maakte ik me klein door in te stemmen met uw voorwaarden. U gedroeg zich groot. Het is inspirerend om te zien dat de tekening, die zijn overlevingskansen vergroot heeft door zich klein te maken, nu weer opdoemt."

Al tijdens het wegpoetsen nam ik waar dat door opdroging van de stenen de tekening terugkeerde. Ik had niet verwacht dat de directrice zich zo zou vernederen door mij daarop te wijzen. Ik verheugde me wel op een vermaning van haar. Niet alleen mijn werkwijze, maar ook een deel van haar karakter zou daardoor bloot komen te liggen. Misschien zijn we wel aan elkaar gewaagd. Het schijnt dat De Kooning vond dat Rauschenberg niet goed gegumd had. Alsof het Rauschenbergs doel was om sporen uit te wissen? De vraag is of de directrice handelt vanuit de macht en mij belemmert in de uitvoering van mijn beroep, of dat ze hartstochtelijk gumt teneinde de schoonheid meer zichtbaarheid in de wijken te geven.

*

Jacky komt naast me staan als ik pauzeer. 'Kijk, dit gaat over Texas,' zegt hij. 'Omdat de wijk u zo interesseert mag u het boek lenen.' Met toegeknepen ogen overhandigt hij me een boek. 'Het gaat over ons, toen we streden tegen de grootste ondernemingen van Limburg, namelijk de Kempische Steenkoolmijnen.' Verbaasd dat in de gezagsgetrouwe Jacky ook verzet schuilt neem ik het boek in ontvangst. Hij zegt: 'ik zie u denken: hoe is dat nou mogelijk? We waren met een driehonderdtal Texanen. Toen de mijnen sloten kreeg de Kempische Steenkoolmijnen op het einde van de jaren tachtig 100 miljard toegeschoven van de overheid. De wondermannen van de Steenkoolmijnen wilden de Fenix bouwen, een reusachtig winkelcentrum met een bowlingbaan, restaurants en een pretpark. Alhoewel er voldoende plaats voorhanden was, moest Texas verdwijnen voor Fenix. We woonden toen nog in houten barakken, waar nu de sportvelden liggen.' Hij wijst richting het stadium van Racing Genk. ‘De Fenix is nooit gebouwd.’ Met zijn voeten woelt hij wat zandgrond los. 'We leefden daar met veertien nationaliteiten in vrede, mijnwerkers van verschillende godsdiensten die de oorlogsstorm of crisis in eigen land overleefden. De zandstormen en modderpoelen in Texas namen we voor lief. De Sahara werd de wijk genoemd omdat er geen geasfalteerde wegen waren. Nou, niemand van de bewoners wilde verhuizen, ook al lagen we in een verloren hoek.' 'Dat ligt de wijk nu nog steeds een beetje,' zeg ik. 'Een busverbinding was lange tijd onbestaande. Wij Texanen verplaatsten zich te voet of per fiets. We lagen in de schaduw van de steenberg. Pas in het begin van de jaren tachtig legden de Buurtspoorwegen een buslijn in de uithoeken van Genk, die Sledderlo en Texas verbond met het centrum. Kijk…' Bladerend door het boek toont hij foto's van zijn gezin. 'Het staat hier op de achterflap. Lees: "Tegenover de grote geschiedenis van oorlogen en onderdrukkingen, ligt hier de kleine geschiedenis van een volk dat rechtstaande wilde leven. … David tegen Goliath…" Dat vind ik zo mooi gezegd,' kijkt hij me aan. 'Het klopt dat we rechtstaande waren, maar het resulteerde in een nederlaag van de wijkbewoners,' zegt hij. 'U moet het maar eens lezen mocht het u interesseren.'

De hele dag teken ik rondom het huis van Jacky. Zijn vrouw Mieke schenkt koffie en geeft me een bakje rijstepap. Een auto met blinkende sportvelgen rijdt langs. De Marokkaanse bestuurder met een petje op opent zijn raampje en knikt naar de tekening: 'wat is dat?' 'Kunst,' zeg ik. 'Wat stelt het dan voor?' 'Iemand zei dat het op een zuil van een moskee lijkt,' zeg ik. 'Ik heb het getekend als een soort entree voor de buurt.' De bestuurder lacht. 'Blijft het?' 'Op den duur slijt het eraf, het is met krijt gemaakt. Als jij er ook een wilt dan hoor ik het wel hè?' zeg ik. 'Hoezo, kan ik er ook een hebben?' 'Ja, op de garage van je huis. Het is gratis.' 'Ik woon daar ginder,' gebaart hij naar het einde van de straat. 'Nummer zeventien, kom maar langs zo.'

JUNI 2012
NEW CHICAGO en NEW TEXAS

‘In de volksmond wordt Sledderlo ook wel ‘New Chicago’ genoemd,’ zegt een ambtenaar van de stad die mij rondleidt door Genk. ‘Deze buurt is een soort schiereiland, gelegen in de bossen buiten het oog van de stad Genk. Verhuld in het groen vond hier vroeger vanalles plaats dat het daglicht niet verdroeg. Maar ook nu gaat u er niet gemakkelijk aansluiting vinden,’ stelt hij. ‘Ik heb hier al getekend hoor,’ zeg ik. Het bericht van de woningbouw dat de tekeningen weggehaald zouden moeten worden zit mij dwars. ‘De reactie van de woningbouw verbaast mij niets,’ zegt de ambtenaar. ‘De wijk moet proper blijven.’ ‘Ik moet de laatste mail van de directrice nog beantwoorden,’ zeg ik. ‘Diep in mijn hart kan ik me niet voorstellen dat krijt zo problematisch is.’

De ambtenaar vervolgt: ‘Sledderlo is snel opgebouwd in de jaren zeventig om de toestroom van buitenlandse industrie-arbeiders van huisvesting te voorzien. Toen de industrie inzakte werd de bouw van de wijk prompt stilgelegd.’ Nu staat er een halve wijk, bestaande uit flats die boven het bos uitsteken en woningen waarvan de garages als huiskamer zijn ingericht. ‘De appartementen ginds staan leeg omdat ze worden afgebroken. Al Capone lives here,’ grapt hij geheimzinnig.

Na afloop van de rondleiding langs de tuinwijken en de voormalige steenkoolmijnen van Genk krijg ik ‘New Chicago’ niet meer uit mijn hoofd. Het straatbeeld met de garagewoningen en snelbouwflats kende ik al, maar ik wist niets van de benaming New Chicago. Dat ik volgens de ambtenaar in deze buurt mag rekenen op behoorlijk wat weerstand van bewoners trekt me aan. ‘Elke zomerperiode brandt het hier. Er zijn doorlopend problemen,’ beweert hij. ‘Ik ondervind tot noch toe meer weerstand van de woningbouwvereniging dan van de bewoners,’ reageer ik.

Een garagedeur wordt geopend en binnen zie ik plastic tuinstoelen op een Persisch tapijt staan. Er staat een fiets in de woonkamer.

De garage-woningen zijn een soort open privé-ruimtes, een versmelting van binnen en buiten. De bewoners leven niet tussen vier muren. Hun huiskamer bestaat uit drie muren en een opklapbare wand. Het spannendst is om op het behang binnenskamers te mogen tekenen. Voor mij is het hier thuiskomen.

In verband met een verbouwing heb ikzelf een tijdlang gewoond in een huis waarvan de deuren ontbraken. De garagedeur functioneerde als een opklapbare aluminium wand waarmee ongewenst volk ‘s nachts buiten gehouden kon worden. Door de symmetrie van twee ramen had ons huis iets weg van een gezicht waarvan de mond overdag half of wagenwijd openstond. Net als bij de garagewoningen in Sledderlo kon je de oprit beschouwen als een soort tong. Vergelijkbaar met een sjieke loper die doorgaans uitgerold wordt voor dure mensen.

In gedachten projecteer ik een tekening op het wegdek van ‘New Chicago’ die via de opritten tot in de garages leidt. Maar hoe betreed ik in werkelijkheid zo’n garagewoning?

De ambtenaar beweert dat je van hier moet zijn om ‘binnen’ te komen, maar dat geloof ik niet. Veel Chicagans komen uit Turkije en Makokko. ‘Het is maar goed dat ik ook niet van hier ben,’ zeg ik. Vreemdelingen onder elkaar verbroederen. Of niet soms?’

Het enige probleem dat ik voorzie, is dat de meeste garages gesloten blijven totdat het voorjaar aanbreekt.

In de gure wintermaanden januari, februari en maart breng ik her en der kleine tekeningen aan op bomen, op afval in de struiken en houten latjes die ik in een park aantref, om het contact met de buurt op gang te brengen. Het bericht van de dwarsliggende woningbouwvereniging dat ik niet op hun gebouwen mag tekenen wordt minder relevant en verdwijnt naar de achtergrond. Het gesprek dat zou plaatsvinden tussen de directrice en mij annuleer ik.

*

In de auto rijd ik door Genk. De wijken liggen te ver uiteen om de stad wandelend te verkennen. Door de regen is het tekenen onmogelijk. Op een richtingwijzer staat: ‘New Texas’. Aangetrokken door de naam neem ik de afslag en verdwaal in een labyrint van straten waar alle huizen en garages op elkaar lijken. Ik stap uit de wagen. ‘Zoekt u iets?’ vraagt een meneer met een Chihuahua hondje. ‘Ik ben een speurtocht aan het uitzetten voor een school,’ legitimeer ik mijn aanwezigheid. ‘Ik zoek naar plekken waarop met krijt getekend mag worden.’ ‘Met krijt?’ vraagt de man. ‘Ja krijt,’ antwoord ik.

Er is helemaal geen sprake van een speurtocht. Waarom beweer ik dit nou? Ik wil gewoon krijttekeningen maken in de buurt. Het op de man af vragen of ik op een huis een paar krijtstrepen mag trekken, heeft weinig kans van slagen. Het is een te dwaze vraag waarvan het antwoord zich laat raden. Natuurlijk stemt een argeloze bewoner niet direct toe. Zo gaat het nou altijd in het begin. Op de eerste dag benader ik de buurtbewoners met een omweg, nooit rechtstreeks. Daarna ben ik mijn eigen verhaal aan het bijstellen. Ongelukkig geworden door mijn speurtocht-ingeving kijk ik de man aan.

Het hondje heft zijn poot op en urineert tegen een muur. We kijken toe hoe het beestje zijn territorium afbakent. De gele parabool regent vanzelf van de muur af. ‘Voor hem zijn geuren belangrijk,’ zeg ik. De Chihuahua kijkt schuin omhoog met zijn kraalogen. ‘Hij zet al tien jaar zijn sporen uit en is nog nooit buiten de wijk geweest,’ zegt de man over zijn trouwe viervoeter. Al tien jaar lang driemaal daags uitgelaten in het parkje? ‘Hij onderhoudt de buurt nauwkeurig met zijn sproeier,’ zeg ik. ‘Het is opgehouden met regenen. Gelukkig voor u,’ zegt de man. In zijn hand houdt de man een boterhammenzak in de aanslag, bedoeld voor de zwaardere boodschappen van de Chihuahua.

‘Wat leuk. Komt er echt een speurtocht?’

‘Ja,’ zeg ik. ‘Ik ga zoveel mogelijk krijttekeningen maken op muurtjes. Op makkelijk en moeilijk vindbare plekken.’ ‘Er zijn talloze goede plekken,’ gebaart hij om zich heen. ‘Ik woon hier al twintig jaar. Wanneer gaat de speurtocht plaatsvinden?’ Het enthousiasme van de man werkt aanstekelijk. ‘Pas als de tekening af is,’ zeg ik.

Samen lopen we op. ‘Kijk, dat is mijn huis. Daarop mag u best een streep zetten hoor. Het is maar krijt, toch?’ ‘Ja,’ zeg ik en daarvan is geen woord gelogen. Ik ben blij dat hij geen navraag doet voor welke kinderen ik inspanningen verricht.

Opvallend in de buurt is dat elk huis een vrijstaande garage heeft die, anders dan in New Chicago, als opslag gebruikt wordt. Alle garages zijn voorzien van identieke blauwe deuren.

Bij huisnummer 1 tref ik een Turkse mevrouw aan die de was ophangt. Zo nonchalant mogelijk vraag ik of het goed is als ik een paar krijtlijnen teken op de garage in verband met het uitzetten van een speurtocht. Ze steekt haar duim omhoog ter goedkeuring. ‘Goed hoor, u doet maar. Ik weet waarvoor het is.’ Aan moment van gêne over het te betwisten bestaan van de speurtocht ben ik voorbij. In feite is het hele leven een speurtocht…

Op de blinde zijmuur van haar garage ga ik meteen aan de slag met een soort getekende ereboog. De Turkse mevrouw leent me een ladder zodat ik het hoge deel van de boog kan aftekenen. Het wordt een precieze tekening waarmee ik de gehele dag in de weer ben. Haar twee zoontjes komen kijken en net als de buurtkinderen uit New Chicago tekenen ze hun krijtcreaties tussen mijn lijnen met de stompjes krijt die her en der op de grond gevallen zijn. ‘Hoe is uw naam,’ informeren ze. ‘Bart,’ zeg ik. Als ik van de ladder klim zie ik dat ze wel twintig keer mijn naam op de muur geschreven hebben.


Vanuit de straat is de tekening goed zichtbaar. ‘De tekening is te makkelijk vindbaar,’ beweert een kind. ‘Niets aan.’ ‘Saai.’ Ik zeg: ‘het gaat niet om het vinden, je moet raden wat de tekening voorstelt.’ ‘Een zon,’ raadt een Turks jongetje van zes jaar meteen. ‘Ja, het is ook een zon,’ zeg ik. ‘Wat zie je er nog meer in?’ ‘Ik vind de tekening gewoon mooi,’ zegt een meisje aarzelend. Een ander buurtkind voegt met krijt een lange regel toe op de muur. “Ha ha ha ha ha ha ha ha ha”, staat er.

‘Het is een andersom speurtocht,’ verklaar ik. Geheimzinnig voeg ik eraan toe: ‘overal in deze buurt zitten goede plekken, niet? Kunnen jullie mij helpen met het vinden van mooie plekken voor nieuwe tekeningen? De speurtocht houdt in om zoveel mogelijk geschikte plekken in New Texas te vinden.’

*

Een gepensioneerd stel aan de overzijde van de straat vraagt wat de bedoeling is. ‘Och, het is nog lang niet af,’ zucht ik. ‘Het is onderdeel van een grote krijttekening in Genk. Ik teken met wit krijt op muren en maak aldoende een soort portret over de buurten van Genk.’ ‘Krijt is afwasbaar,’ stelt de man. ‘Het is spijtig als zo’n tekening wegregent,’ voegt de vrouw aan de woorden van haar man toe. ‘We wonen hier nu twintig jaar.’ ‘We kennen iedereen. De buurt is een grote familie.’ Ik zeg: ‘op het huis van de baas van het Chihuahua hondje mag ik ook tekenen.’ ‘Het is een wonder dat dat beestje nog leeft. Het is meer bot en rillend vlees en zijn ogen puilen uit zijn kop,’ zegt de gepensioneerde.

De mevrouw biedt me rijstenpap met cola aan. De sugar-boost veroorzaakt een grote werklust en ik vraag of het goed is als er ook een tekening op hun garage komt. ‘Ja hoor,’ stemmen ze toe. ‘Wij zijn dadelijk even naar de apotheek, maar u kan alvast beginnen met tekenen. Er staat een thermosfles met koffie klaar naast de tuinbank.’

Ik ga aan de slag op de garage aan de overzijde. De kinderen kijken van een afstand toe hoe het werk vlot. ‘Ik vind de zonnenstralen beter gelukt,’ vindt het buurmeisje. ‘Projecteert u ook weleens tekeningen? De lijnen zijn zo recht?’ ‘Nee, ik teken altijd uit mijn hoofd,’ zeg ik. ‘Projecteren is natekenen en dat is vreselijk omdat je hand in de weg zit, snap je? De projectie valt op de rug van je hand, of op je schouder of op je arm. Je zit er de hele tijd naast te tekenen. Het is uitvoerend en je denkt op den duur niet meer na over de tekening. Dat is pas echt saai. Het is onnodig ingewikkeld.’ ‘Mij lijkt projecteren juist makkelijker,’ zegt het buurmeisje. ‘Ik trek alles over,’ zegt het Turkse jongetje trots.


Het stel keert terug van de apotheek. ‘Noem mij maar Jacky. Kopje koffie?’ Getweeën zitten we op de tuinbank. ‘Toen mijn vrouw en ik trouwden kreeg ik twee weken vrijaf van de mijn,’ zegt Jacky. ‘Fijn,’ zeg ik. ‘Waarnaartoe gingen de wittebroodsweken?’ Hij gebaart met zijn hand dat ze naar ergens ver weg waren gegaan. ‘Toen ik twee weken later naar het werk terugkeerde was de mijn ingestort. Mijn maten waren bedolven. Het huwelijk heeft in feite mijn leven gered, maar ik voel het anders. Mijn maten en mijn vervanger zijn nooit meer naar boven gekomen.’

Er valt een stilte.

‘Ik kreeg een baan aangeboden bij de Ford. Ik werkte daar graag, maar na acht jaar riepen ze me terug naar huis. De mijn is thuis.’ Peinzend kijkt hij naar zijn keurig onderhouden tuin. ‘Net op het moment dat Ford me wilde promoveren werd ik dus terug geroepen. De directeur van de mijn stond bij de toegangspoort op me te wachten. “Jacky,” zei hij en legde zijn hand op mijn schouder. “We kunnen niemand vinden die meer weet van de mijn dan u. De schachten zijn voorzien van een nieuwe sproei-installatie waardoor je het kleingruis niet inademt. We willen weer van u kunnen genieten”. Twee man namen mijn baan bij Ford over. Hoort u wat ik zeg? Ik verzette daar werk voor twee. Ik werkte zeven op zeven. Maar thuis wilden ze weer van me genieten, dus ben ik terug de mijn in gegaan.’ Hij kijkt me aan. ‘Zes jaren werkte ik bij de mijn en toen brak de dag aan dat ik met pensioen mocht. Ik ging naar de directeur. “Jacky,” zei de directeur. “Ik zie u niet graag vertrekken. Waarom plak je er nog niet vier jaar aan vast. Je bent gezond en met vier jaar erbij kan je je pensioengat wegwerken.” Ik bedankte hem en zei dat ik wilde stoppen. “Ik doe dit met tegenzin,” zei hij en haalde een papier tevoorschijn waarop de jaren van dienstbetrekking stonden. Hij tekende dertig jaar aan, inclusief de acht jaar waarin ik er niet werkte. “Jacky, als iemand dit verdient heeft ben jij het. Ga maar, spreidt uw vleugels. Je bent nu zo vrij als een vogel.”

*

‘Waar bleef u?’ vragen de twee broertjes benauwd. ‘Iemand van de woningbouw kwam langs en we krijgen een boete als de tekening niet snel weggehaald wordt. De meneer van de woningbouw heeft foto’s gemaakt.’ ‘Jacky, hoor je dat?’ vraag ik. ‘De woningbouw dreigt met een boete.’ Jacky zegt: ‘we hebben ooit het bericht ontvangen dat kinderen niet met krijt op de stoep mogen tekenen, alleen op de speciaal daarvoor gemarkeerde locaties. Misschien heeft het daarmee te maken?’ ‘Wat is dat nou voor iets onnozels om kinderen het tekenen op straat te verbieden,’ zeg ik. Kinderen zouden aangemoedigd moeten worden om op straat te spelen. Tikkertje, touwtje springen, hinkelen, knikkeren en krijttekenen sieren de straat alleen maar op. Het gaat over onschuld en levenslust. Wie kinderspel kadert of verbiedt snapt niets van de dynamiek in een buurt.

Het zou een nobel doel zijn om ervoor te zorgen dat buurtkinderen weer met krijt op de stoep mogen tekenen. Ik teken nota bene in opdracht van de stad met krijt. Als er ooit een krijt-verbod is uitgevaardigd ben ik min of meer aan mijn stand verplicht dat op te laten heffen.

De Turkse moeder komt erbij staan. ‘Ik was even boodschappen doen,’ excuseert ze zich. ‘Haal de tekening nog niet weg alstublieft,’ zeg ik. ‘De woningbouw hing al eerder aan de lijn, toen ik in Sledderlo een aantal lijnen tekende.’ ‘Stopt u maar even met tekenen op de garages,’ zegt Jacky gezagsgetrouw. ‘Misschien is het beter om eerst de woningbouw te contacteren voordat u voort gaat met krijt?’

Thuis stuur ik een email naar de directrice van de woningbouw waarin staat dat ik zonder het te weten op hun huizen heb getekend. “Diep in mijn hart neem ik aan dat het gekrijt niet echt een probleem is”, sluit ik de email af.

De directrice mailt meteen de volgende ochtend terug:
“Ik meende dat het standpunt duidelijk was : geen krijt op de muren van woningen van Nieuw Dak. Wat jij diep in je hart aanneemt, strookt niet met de werkelijkheid. Indien nodig, bezorg ik je een lijst met een overzicht van onze woningen. Ik ben nog steeds bereid tot gesprek. Maandag 4 of dinsdag 5 juni zou voor mij passen tussen 9 en 9.30 uur.”  



  • ‘Het zou de dood in de pot zijn als bij het project allerlei gebouwen betrokken zijn, behalve de gebouwen van jullie,’ zeg ik tegen de directrice. Het zou betekenen dat de volksbuurten, zoals Sledderlo en Nieuw Texas, uitgesloten raken. Juist die buurten waar veel bewoners spontaan meewerken.’

‘Ik begrijp waarover uw werk gaat, het is ook helemaal niet persoonlijk bedoeld,’ reageert ze. ‘Maar ik ben genoodzaakt u te stoppen. Er zijn in het verleden teveel problemen geweest met grafitty en alles wat daaraan vasthangt. Wij moeten één lijn trekken, helaas. Er hielden zich drugsgebruikers op in de kelders van de flats. Gelukkig ligt die tijd achter ons.’

‘Waarover gaat mijn werk dan als u het zo goed begrijpt?’ vraag ik. ‘Over verbindingen tussen bewoners door middel van krijttekeningen,’ zegt ze. ‘Maar verbindingen tussen bewoners vallen toch ook onder jullie doelstellingen?’ vraag ik me verbaasd af.
‘Ik ben niet van plan om over uw en onze doelstellingen in discussie te treden,’ reageert ze. ‘Er zijn genoeg gebouwen in Genk die niet van ons zijn en waarop u kan tekenen.’ ‘Heeft u misschien klachten ontvangen van bewoners?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt ze. ‘De klachten kwamen intern.’

‘De bewoners kunnen best zelf inschatten wat goed of slecht is voor hun buurt, anders hadden ze wel geklaagd,’ zeg ik. ‘Bovendien moet nog bewezen worden dat drugsgebruikers aangetrokken worden door krijttekeningen.’

‘We streven na om onze huizen proper te houden,’ zegt ze.
‘Over de definitie van ‘proper’ valt te twisten,’ zeg ik. ‘De stad heeft mij deze opdracht gegeven en financiert het project nota bene voor een deel uit de post overlast. Ik ben de stad dus wel iets verschuldigd. … en krijt is een onschuldig materiaal want het regent vanzelf weer weg,’ beweer ik.

Ze veert te overeind. ‘Nee nee, krijt gaat niet zomaar weg,’ gebaart ze met een vervaarlijk zwaaiende wijsvinger. Trouwens in Sledderlo hebben de Turkse kinderen, en dat is een meerderheid, geen krijt in huis. Het zit niet in hun cultuur. Uw verhaal gaat helemaal niet op in Sledderlo.’

‘Ik vind dat u mij een botte mail heeft gestuurd,’ zeg ik. ‘Hoe weet u nou dat wat ik diep in mijn hart voel niet strookt met de werkelijkheid? Het is nog lomper dat u toestaat dat uw medewerkers twee kinderen bedreigen met een boete om zoiets onschuldigs als een krijttekening.’

Boos kijkt ze me aan en haalt haar schouder op. ‘We werken hier met vijftig mensen. Ik beslis er niet alleen over. Dit gesprek is snel afgelopen,’ beslist ze.

‘Zoals ik nu met u praat zo zou ik me nooit naar een bewoner verhouden,’ verweer ik me.

Ik heb haar toestemming helemaal niet nodig om voort te gaan met tekenen op huizen. Het gaat mij om de bewoners. Het enige wat ik wil bereiken is dat ze de bewoners niets in de weg legt om op hun eigen inschattingsvermogen te vertrouwen. Waarom ligt de bevoegdheid niet bij de mensen die de plek dagelijks gebruiken?

De Franse kunstenaar Christo voert jarenlang overleg met het stadsbesturen om bijvoorbeeld toestemming te krijgen de Pont Neuf te mogen inpakken. Hij slaagt er op een fantastische manier in zijn werken te realiseren. Mocht ik de Pont Neuf met krijt willen betekenen dan zou ik toestemming vragen aan de gebruikers van de brug en niet aan de burgemeester van Parijs. Dit is precies de reden waarom ik liever op straat werk dan overleg voer in een kantoor.

Ze vraagt: ‘waarom kiest u uitgerekend voor de wijken waar het meerendeel van onze woningen ligt? ‘Het zijn vooral de garages en de geïmproviseerde bijgebouwen waarop ik teken. De wijken liggen een beetje buitengesloten en hebben een kwetsbaarder karakter dan de typisch Genkse tuinbuurten. Naar Sledderlo en Texas gaat niemand toe die er niet moet wezen. Vandaar dat ik, net als u, mijn hoofdzetel daar gevestigd heb.’

Een flauw lachje spant zich samen om haar mond. ‘Ik heb veel met jongeren in de kansarme buurten gewerkt. Het is leuk en moeilijk om daar te werken. Met een groep jonge meiden trokken we toen het centrum in om te shoppen. Het was de eerste keer dat ze uit hun buurt waren. Ze hadden helemaal niet verwacht dat het centrum zo dichtbij lag en er zo uitzag.’

Haar gezicht verstrakt weer. ‘De tekening op de Muggenberg moet weg,’ zegt ze op besliste toon.

‘Ik zou niet weten hoe ik zo’n verwijdering uitgelegd krijg aan bewoners zonder de relatie die ik met hen heb opgebouwd te beschadigen,’ denk ik hardop na. Ik vervolg: ‘in Sledderlo heeft u schoolborden laten plaatsen waarop getekend mag worden door kinderen. Wat als Sledderlo en Nieuw Texas tot het einde van het project beschouwd worden als schoolbordkaders?’ ‘ ? ’ ‘Over het algemeen is het makkelijker om een tekening te verwijderen dan hem te maken, is mijn ervaring. Het is dus helemaal geen probleem om de wijken op het einde van het project van een opkuisactie te voorzien.’


In gedachten denk ik: de make-up op haar gezicht functioneert voor een vergelijkbare korte duur als mijn krijttekeningen. Waarschijnlijk verwijdert ze ‘s avonds de oogschaduw en lippenstift? Ik streef net zo min blijvende veranderingen na aan het uiterlijk van een buurt. Als er door de krijttekeningen kleine verschuivingen in de hoofden van mensen plaatsvinden is dat meer dan genoeg. In haar gezicht meen ik iets kwetsbaars te zien, alsof er een verschuiving plaatsvindt. Maar ook in mijn hoofd treedt een miniscule verandering in werking.

Beste,
 
Hieronder de afspraken die ik intern gecommuniceerd heb (medewerkers van Nieuw Dak) naar aanleiding van ons gesprek deze morgen.
 
 Krijtlijnen op gevels kunnen enkel in Nieuw-Sledderlo en Nieuw Texas en enkel op huizen of duplexen; dus niet op appartementen, ook niet als huurders hierom vragen
- Het project loopt tot januari 2013. De kunstenaar voorziet in zijn project een aanpak waarbij op het einde van het project een opkuisactie geïntegreerd wordt, zodat na afloop van het project alle krijtlijnen van alle gevels verwijderd zijn.
- De kunstenaar zoekt naar een aanpak om voor eind juni de gevel van het appartementsgebouw aan de Muggenberg schoon te maken.
- De kunstenaar houdt ons op de hoogte van zijn initiatieven via mail en maakt ook een verslag van zijn ervaringen.
  
Indien hierbij nog vragen of bemerkingen zijn, kunnen jullie me altijd contacteren.
 

APRIL 2012
EEN NEST VAN KRIJT
In januari 2012 begin ik met wit krijt te tekenen op straten en muren in de Genkse buurt Sledderlo. Het zijn relatief kleine ingrepen die tot reacties en resultaten leiden die je van tevoren niet kan bedenken. Hieronder volgt een eerste verslag over alles wat relevant wordt door zomaar te tekenen op een willekeurige plek in een straat.


De werkdag beïndig ik door een tekening aan te brengen op een slordig uitgerolde lap teer die waarschijnlijk door toedoen van dakdekkers in de bosstrook langs de huizen verzeild is geraakt. De tekening stelt een hoek van negentig graden voor waarin, gezien vanuit het bos, de wijk gekaderd wordt. Naar mijn ervaring kan heel Genk vanuit bosstroken en dicht begroeid bos gekaderd worden.


Drie kinderen schuiven steeds meer mijn richting op. ‘Wat vinden jullie van mijn creaties?’ wijs ik naar mijn tekeningen. ‘Vies,’ zeggen ze een beetje bedremmeld. ‘Kunnen jullie het beter dan?’ daag ik het trio uit en reik ieder een krijtje aan.

Zowel links als rechts van mij verschijnen krijthuisjes en lachende gezichten op de muur. ‘Hoe is uw naam?’ vragen ze. ‘Bart,’ zeg ik. De kinderen schrijven mijn naam veelvuldig rondom de krijthuisjes.

De oudste van het stel vraagt wat ik doe. ‘Ik ben kunstenaar,’ zeg ik. Hij spelt bedachtzaam : ‘k-u-n-s-t-n-…-a-.... Wat is dat eigenlijk?’ ‘Dat is mijn beroep.’ ‘O,’ zegt hij opgelucht. ‘Dat doet mijn vader ook'.



In het groen tussen de basisschool en het flatgebouw staan jonge bomen. In het gras is vanalles te vinden, varierend van een kapotte autostoel, een molshoop tot een gebroken dienblad. Rondom één van de bomen liggen de restanten van wat ooit een boekenplank was. Als je de brokstukken zelf zo zou willen neerleggen dan lukt het niet. Daarom laat ik ze liggen. Ik teken er lijnen op.
De tekening houdt de restanten van de boekenplank in een soort greep, alsof er een puzzelvraagstuk door wordt opgelost. Op het boompje teken ik heel lichtvoetig een verticale lijn met een drietal uitlopers. Bij kinderen op de speelplaats van een aanpalende school reizen vragen op wat de krijtlijnen op en rondom de boom voorstellen. ‘Je kan pas zien wat het is als alles af is,’ antwoord ik. ‘Wanneer is het af?’ vragen ze. ‘Over een jaar, er moet eerst nog heel veel getekend en ontdekt worden,’ zeg ik.


‘Waarom zijn het lijnen?’ vraagt een onderwijzer. ‘Een lijn is de kortst mogelijke verbinding tussen twee punten, vergelijkbaar met een voetstap. Te voet kun je bijna overal komen. Ik probeer al tekenend overal te komen.’


‘Maar waarom zijn het van die strakke rechte lijnen?’ vraagt de leerkracht door.
‘Het is mij nog nooit gelukt om een strakke rechte lijn te tekenen, zelfs niet op papier,’ zeg ik. ‘Lange tijd dacht ik dat ik niet kon tekenen. Mijn tekeningen lopen niet recht en ze zijn niet krom, maar zijn alles wat daartussen zit. Dat komt omdat geen één plek geschikt is om op te tekenen. Alles wat door de mens gebouwd is zit vol met oneffenheden. Bovendien werken bewoners niet zomaar mee. Er zijn heel wat hordes en kronkelige paden te nemen voordat zo’n lijn er staat.’

‘Dus u tekent altijd op plekken? vraagt de leerkracht.
‘Het tekenen is begonnen op de stoep voor mijn ouderlijke huis, toen ik de leeftijd van twee jaar had. Er zijn jaren geweest dat ik niet tekende, maar momenteel maak ik meer krijttekeningen dan de meeste kinderen. Het is niet relevant of de tekeningen beter of slechter zijn geworden. Relevant is dat de tekeningen er zijn. Of een lijn rechtsom of linksom gaat, of van boven naar beneden loopt doet er niet toe. Het gaat erom dat de tekening gemaakt wordt.
De bewoners werken vaak mee, al is dat geen doelstelling. Kijk maar naar de vanzelfsprekendheid waarmee uw leerlingen aan het tekenen zijn geslagen.
De lijnen meanderen door buurten, verdwijnen uit het zicht en gaan verder om de hoek van de straat. Soms gaan ze zelfs verder op het plafond in een keuken en gaan via het behang in een huiskamer verder op een tuinschutting en duiken via de achtertuin richting het huis van de buurman. De lijnen zien er in eerste instantie misschien strak uit, maar zijn wollig en rafelig, vol onderbrekingen. Over alles wat door het tekenen relevant wordt schrijf ik korte teksten die in boeken verschijnen. De boeken zijn het enige wat er overblijft.

‘Is het niet doodzonde dat de tekeningen wegspoelen door regen?’ vraagt de meester zich af.
‘U leert de kinderen rekenen en taal vanaf het schoolbord. Op het einde van de dag wist u alle kennis met een vilten borstel weg. De borstels worden, verzadigd met kennis, uitgeklopt op de schoolmuur. Verspilling is het niet, toch?’ ‘Nee, nee,’ valt hij me in de reden. ‘Borstels uitkloppen is geen verspilling, maar... … wij hebben tegenwoordig een digi-bord in de klas.’ ‘Het gaat erom wat er in de kinderhoofden achterblijft. Of daarvoor nou krijtstof of digitale deeltjes worden gebruikt.’

Een jonge kerel mengt zich in het gesprek. Hij is toezichthouder van de woningbouwcooperatie Nieuw Dak. Het schijnt dat er niet alleen schotelattenes aan de flat zijn bevestigd, maar ook schoolborden waarop de buurtkinderen zich met krijtcreaties kunnen uitleven. ‘Krijt verwijder je niet zo één, twee drie van een muur,’ licht de opzichter toe. ‘Bovendien moet u eerst toestemming vragen aan onze cooperatie want zomaar beginnen met tekenen gaat natuurlijk niet.’ Ik zeg dat de gebruikers van de flats al een beetje medewerking verlenen.’ ‘We krijgen krijt er gewoon niet meer vanaf,’ zucht hij. ‘De schotelattenes mogen eigenlijk niet bevestigd worden in de bakstenen, maar ja, je kan niet aan de gang blijven met verbieden…’ Ik zeg dat mijn tekenmateriaal zowel onschuldig is als over bijzonder hardnekkige eigenschappen beschikt. ‘Dat krijt makkelijk wegregent gaat niet altijd op,’ onthul ik. ‘In het engels noemen ze het ‘a white lie’ als je iets beweerd dat niet helemaal klopt, zonder kwaad aan te richten.’ Gedrieen lachen we om de tegenstelling in de aard van het krijt. ‘Als onschuld aangewend wordt dan zit er altijd een adder onder het gras,’ leert de onderwijzer ons de les. Ik vertel over de ontmoeting met de agent. De onderwijzer en de opzichter schieten in de lach als ze zich een Afrikaanse Bulldog in een aan flarden gescheurde politiejas proberen voor te stellen. Ze laten mij ongemoeid verder tekenen.

Een passerende politieman wijst naar de tekening en daarna naar mijn blauwe jas. ‘Nee, ik ben geen agent, maar kunstenaar,’ verklaar ik en vertel over de krijttekeningen in de buurt. ‘De regen spoelt de tekeningen vanzelf weg,’ licht ik mijn werkwijze toe. De agent krabt op zijn achterhoofd. ‘Krijt is een onschuldig materiaal,’ pleit ik mezelf vrij. Hij zegt: ‘wij agenten werken zo nu en dan ook met krijt. Zo’n onschuldig materiaal is het niet.’

‘U kent deze buurt vast door en door?’ vraag ik aan de agent. Hij antwoordt: ‘ik woon in deze buurt. Hoezo?’ ‘Nou ja, ik zoek plekken waar ik kan tekenen. Misschien weet u een plek waar dat mogelijk is of waar ik beter weg kan blijven?’ ‘Als u wilt mag u gerust bij mij in huis komen tekenen, de deur staat open. Alleen u moet dan wel hierlangs…’ Op zijn gsm toont hij een foto van een gevaarlijk uitziende hond. ‘Vijfentachtig kilo,’ knikt hij naar mij. ‘Kom daar maar eens ongeschonden langs.’ Op zijn gsm toont hij me foto’s van de reuzenhond die naar de naam Bimbo luistert. ‘Altijd belangrijk om de naam van een hond te weten,’ zeg ik. Ik herken een soort bulldog, maar deze is vele malen forser? ‘Made in Zuid-Afrika,’ zegt de agent. Ik denk aan het boek ‘In ongenade’ van Coetzee waarin een hondenkennel een voorname rol speelt. Een poos geleden zei iemand tegen mij dat het met die apartheid in Zuid-Afrika reuze meeviel. In Genk valt het toch ook best mee wat de migrantenproblemathiek betreft? ‘Heb je zo’n hond hier nodig?’ informeer ik. ‘Het karakter van de hond is afhankelijk van zijn baas,’ legt de agent uit. ‘D’n deze laat me nooit in de steek. Honden zijn trouwer dan mensen, daarvoor steek ik mijn hand in het vuur.’ De agent springt op zijn fiets met een bemoedigende groet: ‘kom maar eens langs. Maar houdt u jas aan, dat vergroot uw kans op overleven, want Bimbo luistert naar blauw.’

De tekening op het flatgebouw vordert gestaag. Het zijn korte rechte lijnen die een denkbeeldige circel raken, getekend naast acht satelietschotels die als een soort paddestoelen aan de flat vastzitten. Tegen de kinderen zeg ik dat de rechte krijtlijnen mijn project inluiden. ‘Het zijn een soort stralen die uit de satelietschotels komen,’ concludeert één van de kinderen. ‘Net zoals geluidsgolven,’ zegt een ander wijs. ‘Of van een lasershow,’ voegt de derde eraan toe en bootst electrische schokken na. ‘Jullie mogen op de stralen of geluidsgolven tekenen,’ zeg ik.

Tijdens het tekenen op een zijgevel van een flatgebouw spreken mensen mij anders dan gewoonlijk aan. Komt dat door mijn blauwe jas? Het is een politiejas, maar dan zonder emblemen. Bij navraag blijkt niemand een agent in mij te herkennen.

Nieuwsgierig naar de politiehond van vijfentachtig kilo, bel ik aan bij het huis van de agent. Omdat er niemand naar buiten komt open ik de tuinpoort en loop over het gazonpad naar de woning. Het verwachtte geblaf blijft uit. Juist als ik het terrein wil verlaten arriveert de echtgenote. Ze schrikt zich dood van mijn aanwezigheid. ‘Waar is de hond?’ vraagt ze. Ik vertel over de ontmoeting met haar man. ‘Mijn man is niet thuis en de hond had u kunnen verscheuren,’ reageert ze. U heeft ons gazon op vilten voeten betreden.’ Ze telefoneert met haar echtgenoot. ‘En…’ informeer ik naar het telefoongesprek. ‘Mijn man zegt dat ik de hond eens los moet laten om te zien hoe hard u kan rennen. U moet maar niet meer zomaar langskomen, maar u mag gerust eens binnen komen tekenen,’ zegt ze.

Een enorme hond verschijnt in de deuropening. Zijn staart zwiept harder dan een lasso.

*

Thuis ontvang ik een email van de Genkse woningbouwcooperatie Nieuw Dak. De opzichter heeft toch alarm geslagen en de directrice vraagt zich af wat het ‘gekrijt in de wijk’ te betekenen heeft. Ze vindt het niet goed dat mijn tekeningen ‘zomaar’ op gebouwen van Nieuw Dak verschijnen en wil dat het krijt snel van de gebouwen verwijderd wordt.

In een antwoord laat ik haar weten geschrokken te zijn van het bericht en dat het vanzelfsprekend is dat ik de tekeningen verwijder: “ (…) De tekeningen zijn bedoeld als tijdelijke ingreep. De aard van het project is om geen blijvende fysieke sporen na te laten in het publieke of semi-publieke ruimte. Aangezien de bewoners positief reageerden op het tekenen, zag ikzelf geen bezwaar om voort te gaan. Ik heb krijt uitgedeeld aan kinderen waardoor hun creaties zich met die van mij kunnen mengen. 

Ik zou het jammer vinden als bij het tekenproject in Genk allerlei gebouwen betrokken zijn, behalve de gebouwen van Nieuw Dak. Het zou betekenen dat een aantal wijken in Genk uitgesloten raken van het project.

”

Bart Lodewijks

Genk drawing (working title)

Kunstenaars:

In samenwerking met dienst cultuur stad Genk en met de medewerking van Nieuw Dak.

2019 2018 2017 2016 2015 2014 2013 2012 2011 2010 2009 2008 2007 2006 2005 2004 2003 2002 2001