Een uitnodiging, 22 september 2006

De First Holodeck Convention zal, zo luidt de uitnodiging die ik op 22 september ontvang, voor het eerst samenkomen in FLACC in Genk van 2 tot 6 oktober 2006. Zij is een tijdelijk collectief, dat bestaat uit Geert Goiris, die het initiatief neemt, Jean Bernard Koeman en HAP (Jens De Schutter, Piet Mertens en Wim Waelput).
Naar analogie met de woorden van Hamish Fulton dat ‘an object cannot compete with an experience’, vertrekt de Holodeck-conventie van de stelling dat ‘an image cannot compete with an experience’. De uitgangsvraag betreft dus het beeld als ervaring, onafhankelijk van zijn betekenis. Hoe kan het beeld op zich een ervaring oproepen?

Wat deze kunstenaars met elkaar verbindt, is hun belangstelling voor sciencefiction, utopische architecturale projecten, minimal en land art, scenografie en reizen. Concreet hebben zij het ontwikkelen van een ruimte voor ogen die een overweldigende visuele ervaring opwekt. Zij willen een structuur of een module ontwerpen en eventueel bouwen die de bezoeker een sterk gevoel van onderdompeling en contemplatie verschaft. Tevens willen zij nadenken over aangepaste beelden voor deze ruimte.
Vanuit die idee benoemen de kunstenaars hun conventie als ‘Holodeck’. Het is een verwijzing naar de Enterprise-D uit Star Trek. Daar is de Holodeck een gesloten cel waarin personen en voorwerpen holografisch gesimuleerd worden.
Ruimten waarin bezoekers ondergedompeld worden kennen een aantal voorlopers. Zo is een panorama ieder weids uitzicht op een omgeving. In 1792 presenteerde Robert Barker zijn schilderijen van Edingburgh in een cylindrische opstelling die van binnenuit moest bekeken worden. Hij kreeg heel wat navolging in diverse cyclorama’s in de negentiende eeuw. Spoedig werden deze afgelost door panoramische fotografie en later door dito film. Meestal was entertainment het objectief. Toch kan gezegd worden dat het verlangen naar onderdompeling in een totale visuele ervaring minstens enkele eeuwen oud is.
Een variante op de cyclorama was de cosmorama, dat voor veel vermaak zorgde in Londen in de negentiende eeuw. De twintigste-eeuwse planetaria zijn er een voortzetting van. De jaren ’60 waren de periode van de multiscreen-projecties, met als exponent de Movie-drome van Stan Vanderbeek. Het onderscheid tussen fictie en realiteit, tussen beeld en wereld en tussen toeschouwer en performer vervielen. Tenslotte zijn er de 360-Degree projecties, ontwikkeld door Patrick Besenval en Futuroscope. Euro- Disney en Arromanches 360 zijn andere voorbeelden. Ook is er nu sprake van Bubble video.

Waarom ik beslis op de uitnodiging in te gaan, 27 september 2006

Het opzetten van een ‘conventie’ van kunstenaars is een intrigerend voornemen. Ik weet wel dat convenire letterlijk niet meer betekent dan ‘bijeenkomen’. In de overdrachtelijke zin houdt het echter meer in, namelijk ‘overeenkomen’. Het een leidt trouwens vaak naar het ander. Dat is ook logisch. Men zoekt elkaar op met de bedoeling over iets akkoord te geraken.
Het lijkt er zelfs op dat hoe meer het individualisme triomfeert – en misschien precies op de momenten waarop het zijn grootste triomfen kent – hoe sterker de neiging wordt om nieuwe eenheden na te streven.

Van deze tendens bestaan opvallende historische voorbeelden. Alle handboeken leren ons dat de renaissance een breuk brengt in het collectivisme van de middeleeuwen en dat het individu zichzelf voor het eerst poneert. Daar schuilt natuurlijk een grond van waarheid in. Het uit zich bijvoorbeeld (steeds volgens diezelfde handboeken) in de ‘uitvinding’ van de centraal-lineaire perspectief. Door het vluchtpunt geeft de kunstenaar tevens zichzelf als autonoom subject een plaats tegenover de wereld. Maar vergeten we niet dat diezelfde renaissance haar eigenlijke begin vindt in een ontmoetingsplek in Firenze. In 1459 installeert Cosimo de Medici Marsilio Ficino in Careggi.
Het is de aanzet van de platoonse Academia. Aan de hier ontwikkelde ideeën nemen de kunstenaars gretig deel. Het is het echte laboratorium van de renaissance. Het verschil met de hedendaagse tijd is dat deze samenkomsten draaien rond een filosofie die als het prototype van het eenheidsdenken kan gelden, het neo-platonisme. Het zou wel eens kunnen dat de uitvinding van de perspectief veel meer te maken heeft met de integratie van het individu in het grotere of oneindige geheel van de wereld en niet zozeer met het zich majestueus ontrollende cartesiaanse bewustzijn van de moderne tijd. Het ‘verdwijnpunt’ krijgt dan een heel andere betekenis.

In dat opzicht is de tegenstelling met de huidige tijd totaal. Heden ten dage is iedere vorm van eenheidsdenken uit den boze. In de filosofie is differentie een dogma geworden. Veelheid en fragmentering maken het mooie weer. In de kunst drukt zich dat uit in de verwerping van schoonheid als esthetische kategorie. Schoonheid draait immers rond eenheid. Het sublieme eist in de plaats daarvan alle rechten voor zich op. Door de nadruk op de ontkenning van algemeenheid is de kunst gewild fragmentarisch, ze verspeidt zich over losstaande fragmenten. Het is alsof ieder kunstwerk zijn eigen privé-esthetiek meebrengt. Meer dan ooit staat de kunstenaar op zichzelf, ondanks of misschien wel als gevolg van het toenemende aantal presentatiemogelijkheden en de ermee samenhangende dwang om zich te onderscheiden, zo al niet te profileren.
Onwillekeurig denk ik ook aan de niet te onderschatten rol die het Café Guerbois gespeeld heeft in het ontstaan van het impressionisme. De kunstenaars experimenteerden in hun ateliers die toevallig niet ver uit mekaars buurt lagen in de wijk van de Batignolles. In die revolutionaire jaren vòòr 1870 vonden ze elkaar ’s avonds in het Café Guerbois in de Grande rue des Batignolles en voerden er hevige discussies. Ook het begin van het impressionisme markeert een belangrijke etappe in het toenemende individualisme. Met de opkomst van de galerieën wordt de aandacht naar de individuele carrière van de kunstenaar verlegd. In de officiële Salons was de
blik nog volledig gericht op het afzonderlijke schilderij. Het dealer-systeem is meer geschikt om individuele carrières te promoten. De impressionisten vinden in deze nieuwe instelling een gunstige bodem voor vernieuwing en originaliteit, aangezien de markt juist deze individuele kwaliteiten stimuleert. Maar natuurlijk hebben de impressionisten in dat eerste moment minstens ook iets dat hen bindt, al was het het feit van een gemeenschappelijke tegenstander te hebben. Zij zijn de uitgeslotenen van het gevestigde circuit. Hun gezamenlijke doel is het bekampen van het academisme en het ondermijnen van zijn dode conventies. Ook deze mogelijke drijfveer ontbreekt vandaag de dag volkomen. Er is geen tegenspeler meer op de kunstscène. De actuele kunst is tussen 1970 en nu van een marginaal verschijnsel naar een gevestigde waarde geëvolueerd.
Er zijn dus voldoende redenen om zich af te vragen wat de kunstenaars van de Holodeck-conventie drijft aansluiting bij elkaar te zoeken. Is FLACC in Genk voor hen een tegengif tegen het huidige meedogenloze individualisme, een beetje te vergelijken met de Academia in Careggi of het Café Guerbois in de Batignolles?

Dinsdagnamiddag 3 oktober, FLACC Genk

Met de uitnodiging van Geert Goiris op zak strijken de kunstenaars op maandag 2 oktober neer in FLACC voor een vijfdaags werkverblijf. Zelf duik ik er in de namiddag van de tweede dag binnen om hun gesprekken te volgen. Het is de fase van het verkennen. De kunstenaars trachten hun houding en hun standpunt tegenover de beeld- en ervaringscultuur en tegenover de wereld in het algemeen uit te klaren vooraleer concrete stappen te ondernemen.
De discussie is warrig, aftastend en spannend. Mijn eerste vraag is: welke positie nemen zij in met hun Holodeck-programmaverklaring? Tenslotte gaat het hier om de fundamentele verhouding tegenover de oprukkende Virtual Reality met zijn allesoverheersende zucht naar entertainment. De commerciële VR-industrie mikt op de ontwikkeling van een gigantisch netwerk van vermaak. Waar situeert men zich als kunstenaarscollectief, dat Holodeck als referentie neemt, om naar een ‘overwhelming visual experience’ te streven?
Op het internet staat een citaat te lezen dat bedoeld is om de nieuwe technologieën van virtuele realiteit en onderdompeling boven iedere verdenking te stellen. Het wordt aangehaald in de inleidende nota van de Holodeck-conventie. In 1927 hoont Harry Warner zelf de uitvinding van de gesproken film weg met de woorden ‘Who the hell wants to hear actors talk?’ Met andere woorden, zelfs de besten onder ons gedragen zich idioot als ze moeten leren leven met baanbrekende technologieën! Wees dus niet zo dom om kritiek uit te oefenen op de nieuwe vormen van VR.
Is dat geen zeer betwistbare uitspraak? Vooreerst omdat sedert 1927 de tijden veranderd zijn. Ondertussen leven we in een cultuur waar amusement de geesten beheerst. Deze situatie vraagt meer dan ooit om bezinning en weerstand. Verder brengt deze technologie een volkomen nieuw gegeven. De virtuele realiteit en de echte realiteit worden ononderscheiden en over de metafysische implicaties hiervan moet wel degelijk nagedacht worden. En tenslotte algemeen: niets heeft het recht zich zomaar boven kritisch denken verheven te achten.
In onze ‘Erlebnisgesellschaft’ (Gerhard Schulze) zijn consumenten driftig op zoek naar ervaringen. In laatste instantie gaat het steeds om gelukservaringen. De virtuele realiteit maakt het mogelijk dat al onze dromen waar worden. Dat is de definitie van het paradijs. Maar dan wel een zeer artificieel paradijs. In de werkelijke wereld zullen pijn, lijden, leed, geweld, dood, rouw, zorgen... altijd blijven bestaan. Hoe zullen we op al deze kleine en grote, maar re‘le existenti‘le drama’s reageren? Zullen we er nog tegen opgewassen zijn? Bovendien verkoopt VR de onbegrensde vrijheid als een consumptiegoed. Ik kan in VR alles zijn. In de werkelijke wereld daarentegen geldt de oude wijsheid: gedane zaken nemen geen keer. Iedere keuze van mijn vrijheid houdt in dat ik afstand moet doen van andere mogelijkheden. Ik kan niet alles zijn. Het leven heeft substanti‘le, tragische aspecten.

De Holodeck-conventie bevestigt haar bedoeling om een antwoord en een strategie tegen de cultuur van entertainment te bieden. Hoe kan men zich in diezelfde wereld van ‘experiences’ begeven op zulke wijze dat verstrooiing uit de hoofden verwijderd wordt en contemplatie in diezelfde hoofden wordt geplaatst? De waarde van de kunst is dat ze kan verontrusten.
In de loop van het gesprek valt het woord ‘activist’ om de positie van de kunstenaar te omschrijven. Activisme is het streven om door het voeren van actie de dominerende macht te ondermijnen en zelf vooropgestelde maatschappelijke doelstellingen te verwezenlijken. Dit wijst op daadkracht. Maar het veronderstelt aan de basis grondige overweging. Dat is ook de zin van deze samenkomst gedurende een week. Het objectief is in de eerste plaats de attitude verbonden met het kunstenaarschap scherp te stellen.
FLACC wordt daarbij gebruikt als een soort mentale ‘refuge’, een schuilplaats, iets als een berghut in de storm. De kunstenaars hebben niet het gevoel dat ze zich op deze plek moeten bewijzen door er ‘iets achter te laten’. Het proces van geestelijke uitwisseling primeert. Zij nemen gedurende een week de tijd om het denken en de verbeelding de vrije loop te laten. Wat daar in een later stadium uit volgt, zal zich wel uitwijzen. Toch wordt de oorspronkelijke idee van het bouwen van een panoramische koepel met beelden niet opgegeven. Het blijft een spannende uitdaging om na te denken over de beelden waarin de bezoekers zullen ondergedompeld worden.
Als kunstenaar botst men op deze paradox: wil men kritiek uitoefenen op de beeldvervuiling, moet men terzelfdertijd beelden toevoegen waardoor de overdaad nog vergroot. Misschien heeft het meer impact wanneer men iets wegneemt? Dat kan een manier zijn om gelaagdheid binnen te brengen in het entertainment. Wie wil tussenkomen in de verhouding van mensen tot de stereotiepe invulling van het begrip ‘experience’, moet op zoek gaan naar gedestilleerde, uitgezuiverde evaringen. Het is niet de bedoeling van de Holodeck-conventie om een paradijs te maken. Wel is het zo dat sciencefiction als genre mogelijkheden biedt voor conceptontwikkeling. Hoe projecteren mensen hun dromen, hun hoop, hun verwachtingen op de toekomst? Hoe kan heraangeknoopt worden met de vraag naar ‘things as they ought to be’? Voor alles veronderstelt dit een zoektocht naar het innerlijke zelf. Het is belangrijk er achter te komen wie we zijn. Er is vandaag weer aandacht voor het ‘memento mori’, het besef van de ijdelheid van het bestaan is dus nog steeds aanwezig. In de verstilling is het mogelijk te concurreren met de oprukkende cyberspace. Hier duikt verrassend de belangstelling voor de minimal art op, waar deze onthechting af en toe tot uiting komt.
Als besluit kan de stelling herhaald worden dat kunst moet verontrusten, een stategie die dwars op deze van het entertainment staat.
Op dit punt van de – chaotische en onbesliste – discussie verlaat ik die avond FLACC en de Holodeckconventie.
Ik kijk uit naar het verdere verloop van de week.

24 oktober 2006, E-mail naar Geert Goiris in Tashkent,Oezbekistan

Ik hoop dat alles goed gaat daarginds? Ondertussen is het toch belangrijk dat we over Holodeck verder communiceren. De samenwerking tussen deze drie (in feite vijf) kunstenaars blijft me intrigeren.
Ik ben er op die dinsdagnamiddag in FLACC eventjes ingedoken. Maar ik heb nog steeds een aantal vragen, zowel naar wat aan dat moment voorafging als naar wat erop volgde.
Bovendien wil ik graag een tekst over het project schrijven. De deadline voor het FLACC-Jaarboek is 15 november. Aangezien ik de tekst spoedig moet afsluiten, zal ik hem eerder als een verslag opvatten. Mijn eerste vraag betreft nog steeds de idee van samenwerking. Wat zet aan tot het oprichten van een collectief of een conventie van kunstenaars?
Jij bent de initiatiefnemer. Dat vind ik op zich al merkwaardig, in die zin dat ik je werk met eenzaamheid associeer. Begrijp me goed. Ik bedoel dit niet als een ongelukkige ervaring. Integendeel. Die afzondering of ontheemding en dit naakte oog-in-oog met de vreemdheid van de wereld beschouw ik als een bron van inzicht en wijsheid. Het is een bezinning over zichzelf, waaruit alle afleiding moedig geweerd is. Een terugkeer naar een eerste en laatste metafysische vraag ‘wie ben ik?’ Zo voel ik je werk nu eenmaal aan, neem me vooral niet kwalijk. Daarom blijft het me intrigeren waarom precies jij een gemeenschappelijk project initieert.
Een andere vraag die hiermee samenhangt. Hoe kan ik de samenwerking met deze kunstenaars verklaren?
Mij lijkt het contrast tussen jullie groot.
Als ik het zo mag zeggen, bestempel ik het werk van HAP als eerder naar buiten gekeerd. De frisheid of jeugdigheid ervan schuilt in een soort spontane, onaangetaste opstandigheid. En dwarsliggerij is altijd tegen iets gericht. De manier waarop zij maatschappelijke strategieën manipuleren zodat die zich tegen zichzelf keren, is daar de exponent van. Jouw werk beschouw ik eerder als naar binnen gekeerd. Als fotograaf ben je natuurlijk op de wereld georiënteerd. Maar het is vooral de eigen, menselijke werkelijkheid die zich openbaart aan wie luistert en stil staat. Hoe onherbergzamer de wereld, hoe scherper de confrontatie met de eigen, innerlijke werkelijkheid wordt. Je hebt volgens mij weinig uitstaans met de documentaire fotografie die de kunst nu al ettelijke jaren overspoelt.
Ik voel je werk ook heel anders aan dan de manier waarop Dieter Roelstrate het voor Freestate heeft beschreven (met alle respect, want het is een heel indringende tekst). Gaat het om de loutere autonomie of zelfbeslotenheid van het beeld? Ik zie er veeleer een opening in op een diepe ervaring van het eigen existeren, wat met recht een metafysische ervaring mag genoemd worden. (Terloops: is dat niet het tegendeel en het enige zinnige antwoord op een cultuur van het entertainment en van de kunstmatige gelukservaringen, de cultuur van ‘experiences’, de
‘Erlebnisgesellschaft’?).
Hoe rijm ik dus HAP en jou met mekaar, binnen met buiten?
Wat Jean Bernard Koeman betreft, moet ik bekennen dat ik met zijn recentere werk minder vertrouwd ben. Ik ken hem de laatste tijd vooral als curator. Ik heb wel werk van hem gezien in Kunst & Zwalm en in CC Strombeek, maar dat is al een hele tijd geleden, respectievelijk in 1999 en 2002. Misschien moet ik hem eens opzoeken. Voorlopig zie ik zijn installaties eerder als een paradoxaal samengaan van sociaal-kritische en minimalistische ‘beeldhouwkunst’. Hij maakt ook veel gebruik van teksten die het beeld vervangen of ondersteunen. De (sociale, existentiële, poëtische...) boodschap lijkt bij hem vaak langs die weg overgebracht te worden.

Klopt het als ik zeg dat jullie Holodeck-conventie er in de eerste plaats gekomen is vanuit reeds bestaande uitwisselingen uit het verleden? Het zijn kunstenaars waarmee je persoonlijk een goed contact onderhoudt (wat ongetwijfeld respect voor hun werk veronderstelt).
Overigens vind ik het uitdagender een coöperatie te zoeken met mensen die heel heterogene posities innemen dan met gelijkgestemden (het resultaat van dat laatste riskeert voorspelbaar te zijn).
Over de vraag naar de keuze van het thema van het project hebben we gelukkig een ganse namiddag kunnen discussiëren. Mag ik stellen dat het eerste doel van je opzet een diepgaandere ontmoeting met de andere kunstenaars was? Dat dit overleg en deze samenwerking voorop stonden? En dat de keuze van het thema aanvankelijk bijkomstig was, een voorwendsel haast? Daarom vond ik de eerste projectomschrijving wat oppervlakkig (als ik eerlijk moet zijn, stoorde ik mij er een beetje aan). Ik kon deze omschrijving ook moeilijk koppelen aan je eigen werk, dat zo wars is van alle sensatie, onthecht eigenlijk.
Zoals het project geformuleerd was, leek het belust op ‘artificial experiences’ die ik toch geneigd ben met verstrooiing te associëren. Dat hebben we tijdens onze discussie in FLACC kunnen uitklaren. En deze verduidelijking zal zich ongetwijfeld manifesteren in het vervolg van het project.
Dat vervolg is dan ook mijn voornaamste vraag. Waar wil het nu naartoe gaan?
Ik heb vernomen dat jullie tijdens die week watertorens bezocht hebben. Ik kan dat vaag begrijpen. Dat zou wel eens een ‘all-inclusive experience’ van leegte kunnen zijn en dus de nagestreefde ervaring van verontrusting kunnen opwekken. Een vorm van het bevrijdende onbehagen dat jullie zoeken. Een naakte onderdompeling in de grote Afwezigheid – een soort hergeboorte. Doen jullie verder iets met die watertorens?
Hierover kunnen we uiteraard nog praten als je terug bent uit Tashkent.

Telefoongesprek met Jean Bernard Koeman, 1 november 11u.30

Het gesprek is kort, aangezien Jean klaarstaat om voor lange tijd naar het buitenland te vertrekken. Een bezoek zit er voorlopig niet in.
Mijn vraag is nog steeds wat zo verschillende mensen met elkaar verbindt. En ook, waarom zij deze verbinding koesteren en er iets willen mee doen.
Aan de ene kant bevestigt Jean dat persoonlijke banden hierin een rol spelen. Het zijn de mensen waar hij het liefst mee samenwerkt. Hij verwijst naar de tentoonstelling A temporary monument for David Mc Comb in STUK in Leuven in 2004. In zekere zin ligt daar (en ook eerder) reeds de oorsprong van deze conventie. Toen was het Jean Bernard Koeman die als curator het initiatief voor de samenwerking nam. Naast Geert Goiris en HAP namen onder anderen Freek Wambacq en Vaast Colson deel aan dit evenement. De inleidende tekst luidde: ‘In the arts, there is a need for systematic collaboration with “like-minded” organisations abroad’. In STUK draaide die samenwerking rond begrippen als verwondering, eerbied en onbekende helden (MC Comb was de leider van de Australische band The Triffids).
Aan de andere kant zijn er natuurlijk toch diepere raakvlakken. Wat de leden van de Holodeck-conventie gemeen hebben, is hun interesse om zich te bewegen tussen taal en architectuur. Zelf heeft Jean Bernard Koeman twintig jaar lang lege landschappen gefotografeerd. Die opnamen deden dienst als bronnenmateriaal voor zijn installaties. Ook bij Hap zijn referenties te vinden naar industri‘le sites en naar architectuur. Maar mischien volstaat het van dezelfde dingen te houden. De belangstelling voor sciencefiction is daar een belangrijke factor in.

Gesprek met Geert Goiris, dinsdag 14 november 18u., cafetaria Centraal Station, Brussel

De eerste vaststelling die Geert en ik maken, is dat mijn e-mail van 14 oktober hem nooit bereikt heeft.
We spreken af dat ik dat bericht diezelfde avond nog opnieuw zal sturen en dat Geert er diezelfde nacht nog zal op antwoorden. De deadline voor de tekst in het Jaarboek van FLACC is immers 15 november.
Ondertussen heben we natuurlijk de gelegenheid om in dit gesprek alles op een rijtje te zetten. Geert reflecteert over het eerste opzet van het project, het verloop van de werkweek en het mogelijke vervolg.

‘Het vertrekpunt is dat ik absoluut wou samenwerken. Voor één keer een complex werk op te bouwen als groep. Omdat het ons debuut als co-auteurs was, werd een groot deel van de week besteed aan het aftasten van de wederzijdse gevoeligheden. We stelden ons erg democratisch op. We spaarden elkaar en waren voorzichtig in onze suggesties. Voor we uit mekaar gingen, wilden we graag een werkgebied afbakenen. We zijn daar niet volledig in geslaagd. Ons objectief bleef wel de hele tijd het construeren van een module. In de tweede helft van de week maakte Jean een aantal tekeningen, HAP dacht na over het totaalconcept, de talige omkadering en de materiële uitvoering, ikzelf maakte foto’s. Nu is iedereen terug in zijn atelier, en blijft er een gevoel van “het was niet af”. We beseffen ook hoe moeilijk en ambitieus het gehele opzet was. Deze twijfel is op zich positief. We beschouwen het als een leerrijke ervaring. Tevens is dit een blijk van waardering voor FLACC. Hier gelooft men authentiek in de waarde van het proces – in tegenstelling tot de talrijke kunstevenementen waar het proces een artificiële manier is om het woord product te vermijden. Wat wij gedaan hebben kan misschien enkel in FLACC. Dat getuigt van het echte serieux van deze werkplaats. Toch vinden we zelf dat de volgende samenkomst constructiever moet zijn.
De interesse blijft uitgaan naar een soort “spektakelmachine”, een omgeving waar je als bezoeker binnenstapt en iets te zien krijgt. (en in het beste geval “veranderd” weer buiten stapt) Dat houdt een aantal uitdagende problemen in. Hoe bereid je de kijker voor? Hoe kan hij op de beste manier het beeld op zich laten inwerken? Maar vooral: welk beeld of welk verhaal bied je hem aan?
Wat eigen was aan de historische diorama’s, is dat ze vaak een illustratie van macht of een ophemeling van nationalistische gevoelens zijn. Men toont er bijvoorbeeld een beslissende veldslag. Het is te vergelijken met wereldtentoonstellingen, die vooral dienen om een land te promoten. Wel is daar een enorme energie aanwezig, iedereen komt er samen. Niet alleen om te kijken, maar ook om er geweest te zijn en dat in de toekomst te kunnen navertellen. Men gaat dus op zoek naar een “deelbare ervaring”.

Ondertussen heeft het modernisme het pad geëffend voor de authenticiteit van de kunstenaar. Wij maken een beeld met een autonome status, geen illustratie van macht.
De huidige ontwikkelingen in de cyberspace richten zich uiteraard niet meer op nationalisme. Ze produceren in de eerste plaats een enorm paradijsaanbod. De artificiële gelukservaringen zijn een nieuwe vorm van opium. Een banaal idee dat ik had om dat proces tegen zichzelf te keren, was het volgende. Van vijftig (mondiale) TV-kanalen alle cliché’s van paradijselijke beelden te selecteren. Uit de reclameblokken alle beloftes van geluk (materieel, familiaal, interrelationeel,....) te tonen, en telkens het product dat wordt aangeprezen uit de sequenties weg te knippen. In de reclame is het paradijs overal: in de stad, in de natuur, in de huiskamer... Door al deze stereotiepen op een hoop te gooien, krijgt het geheel een hoog ersatzgehalte. Terzelfdertijd kunnen we van vijftig zenders beelden plukken van de brutale werkelijkheid. De afgrond tussen belofte en realiteit, tussen utopie en feitelijkheid breekt dan doorheen de mystificatie. Toch is dit niet de verhoogde kijkervaring die we met het Holodeck-collectief beogen. Wat ons werkelijk interesseert, is een meditatieve ruimte waar de kijker op zichzelf terugvalt. Er is in onze cultuur een terechte kentering merkbaar naar verinnerlijking. Mensen zijn meer bereid of hebben er alleszins behoefte aan om bij zichzelf stil te staan. Het gaat minder om de uiterlijkheden. De binnenkant telt. Ik denk aan mijn tentoonstelling Inertia in Netwerk in Aalst in 2002. Daar werd de inertie gesymboliseerd door het beeld van een locomotief. Die is links en rechts hetzelfde. Door zijn symmetrie kan hij als het ware geen kant op. Ook in de Holodeck wil ik de tijd stil zetten, een moment bereiken dat “vol” is.
Het “Holodeck” definieer ik in de eerste plaats als een omgeving die zich schikt naar de eigen verlangens van de interactor. Het Holodeck kan dus ook aan dit verlangen naar verinwendiging tegemoetkomen. Een 360¡-opname van een verlaten landschap, gezien vanop een bergtop, beschouw ik derhalve even goed als een Holodeck.
Zo is de idee ontstaan om watertorens te bezoeken. Langs een centrale zuil klim je naar boven, dan beland je in het midden van een groot, rond, halfleeg bekken. Die ruimte is mooi, fenomenaal, uitgepuurd.
Het is er half-duister en er weerklinkt een ongelooflijke echo. Dat creëert een zeer bevreemdende sfeer, een gelijktijdige ervaring van onbehagen en dankbaarheid om aanwezig te mogen zijn, om dit te mogen meemaken.
Dit is het soort van ervaringen die we willen vasthouden en communiceren. Deze onbestemde ruimte kan het beginpunt van de Holodeck zijn. Het is zeker de bedoeling nog meer watertorens te bezichtigen.
Stel dat we uiteindelijk streven naar de realisatie van een diorama. Dan kan in de groep ieder zijn expertise en zijn attitude inbrengen. Ook HAP maakt werk dat ik als transcendent bestempel, ik denk bijvoorbeeld aan hun project Launchers in Netwerk in Aalst (2004) met behulp van een aantal volumes uit hout en plakband, karton en plastiek insinueren zij een geweldig – onzichtbaar – volume dat zich zou uitstrekken boven de tentoonstellingsruimte.
HAP kan door zijn no-nonsense aanpak zo een diorama sterk verhalend maken zonder gebruik van high-tech oplossingen. De do-it-yourself esthetiek houdt het sympathiek door alle pretenties meteen weer te ondermijnen.
In ieder geval zullen we rond dit project nog veel moeten praten. Voorlopig hebben we geen vaststaand idee welke beelden in het Holodeck zullen passen. In een volgende fase zullen we beelden op tafel leggen en er over discussiëren. Ieder van ons zal zijn voorstellen doen en dan kunnen we beginnen werken.
De ervaring van intens samen geweest te zijn dragen we in ieder geval mee en zal de volgende stap natuurlijker
maken.
De eerste concrete afspraak is dat ieder van ons op dinsdag 21 november om 15u.17 een foto maakt. Waar elk zich ook bevindt of wat hij aan het doen is, daar wordt een opname gemaakt. Het is een gedeeld moment,arbitrair gekozen, maar door de synchroniciteit van dit specifiek punt in de tijd te onderschrijven, kennen we er betekenis aan toe, laden we het op. Die beelden komen in het Jaarboek.’

Dit gezegd zijnde worden Geert en ik aangemaand de cafetaria te verlaten omdat het sluitingstijd is.
In de hal van het station bespreken we nog een laatste thema, namelijk de belangstelling van de leden van de Holodeck-conventie voor sciencefiction.
De Holodeck is onvermijdelijk gelieerd aan sciencefiction. Maar wat zoekt men daar precies in? Er is een onloochenbare verwantschap van sciencefiction met de utopie. Utopie houdt een stellingname in dat de wereld anders zou kunnen zijn, onderverstaan: beter zou kunnen zijn. Het is een mentale oefening waar een zekere onvoldaanheid over de wereld uit spreekt. Wat is mogelijk naast of tegenover de wereld zoals zij is, in haar beperktheid of haar onvolmaaktheid? De virtuele ruimte die de Holodeck-conventie ontwerpt zal dus ook kritisch zijn. Want veel utopieën bevatten een kritische component, bijvoorbeeld een irritatie tegenover de dwaasheid van de reële wereld. In die zin kan sciencefiction helpen om tegen de stroom in te gaan. Science Fiction auteurs anticiperen niet alleen op bestaande denkpatronen en technologiëen, ze voegen ook telkens een sterke dosis ideologie toe.

E-mail van Geert Goiris, woensdag 15 november 2006

Zoals je zelf aangeeft zijn we een vrij heterogeen gezelschap, wat meteen een betere garantie is tot betekenisvolle
communicatie dan een clan gelijkgezinden rond de tafel te brengen. Toch schijnen er mij een aantal parallellen te bestaan.
Eigenlijk ken ik Wim, Piet en Jens niet zo goed (met Jean heb ik een tijdje doorgebracht in China en dat schept wel een band). Toch heb ik het gevoel dat we veel raakvlakken hebben. Ik hou van het subversieve karakter van de heren. Het is licht verteerbaar maar daarom ook lucide. Het is niet die nadrukkelijke mei ’68-rebellie, die eigenlijk evengoed een precursor was van de hyperindividualistische maatschappij. Het is niet het volstrekte nihilisme van de jaren ’80-punkbrigades die principi‘el anti waren, maar niet meteen een alternatief aanboden. Het is eerder een soort van tongue-in-cheeck subversie die het goed meent, maar altijd bereid is tot confrontatie en gesprek. Ik hou echt van de attitude van de HAP-ers.
Ik heb ook het gevoel dat zij oprechte ‘zoekers’ zijn. Net zoals bij Jean Bernard heb ik met hen het gevoel dat kunst een manier is om in het leven te staan, een omgang met de omringende realiteit, eerder dan een job of een functie. Uiteraard hebben we allemaal de ambitie om ons werk verder uit te diepen, het te tonen op interessante plaatsen etc., maar ik heb wel het gevoel dat iedereen zou blijven doorgaan uit ‘innerlijke noodzaak’ zelfs als alle erkenning en respect van de buitenwereld zou wegvallen. Ik heb ook het gevoel dat alle leden van de Holodeck-conventie bereid zijn om risico’s te nemen en zich niet willen schikken naar een publiek herkenbare type-cast.
Dit is ook een reden waarom ik de uitnodiging op zo’n bewust kinderlijke, wervende toon heb gesteld: om meteen de serieux te ondermijnen en om te laten uitschijnen dat het hier echt om een vrijplaats gaat (helaas een vaak misbruikte term!), en niet om een promo-stunt, een opportunistische CV-alinea, een handig productiebudget of zo.

Elke deelnemer aan de conventie heeft zijn kwaliteiten, waar ik lang kan over uitweiden, maar dat doe ik liever tijdens een gesprek.
Enkele overlapppende parameters zijn gevoel voor humor, vakkennis, historisch en politiek bewustzijn, een
interesse in natuurwetenschappen, en Wanderlust.

Jean heeft bijvoorbeeld een encyclopedische kennis van internationale kunst, film, muziek en literatuur, met een specialisatie in de cultuur van de Lage Landen. Wim verzoent (minstens) twee personae in één: de gedreven volksmens (met een aanstekelijk temperament) en de introspectieve intellectueel die alles in vraag stelt op een al even aanstekelijke manier. Piet en Jens zijn non-conformisten pur-sang en belichamen voor mij het utopisch streven naar een ‘andere’ plaats: door een ‘andere’ logica gebonden en op een ‘andere’ manier bestuurd. Zij zijn voor mij de geknipte script-writers voor een zinvolle toekomstprognose.

Het dossier was oppervlakkig en haastig samengesteld om enkele interessante referenties te bundelen.
Het is als zodanig ook nooit bedoeld geweest om publiek te maken. Nu besef ik wel degelijk dat het te hoog gegrepen was om een werkelijk Holodeck voor te stellen, laat staan er een te bouwen, al is verbeeldingskracht
tot veel in staat.
Toch een nuance: mijn aandacht gaat niet zozeer uit naar ‘artificiële ervaringen’, maar eerder naar ‘transcendentale ervaringen’. Een (kijk)ervaring die in staat is om ons (even) uit onze dagdagelijkse realiteit te lichten. Deze religieus-spirituele component is ook zeker bij het werk van Jean Bernard aanwezig.
Het is een pretentieuze bewering om te stellen dat we een tastbaar en tegelijk ‘exalterend’ werk zullen afleveren. Toch blijft dit ons streefdoel. Het fanstasme dat we najagen is al iets duidelijker geprononcieerd en komt stilaan in ons vizier. Daarom lijkt dit streven me zeker niet dwazer dan menige andere vorm van zelfbedrog.